De aanduiding ATEX geldt als nieuwe
richtlijn voor de 2 reeds bestaande richtlijnen
94/9/EG en 99/92/EG betreffende “explosieve omgevingen”.
ATEX staat voor “Atmosphères Explosibles” en is van kracht
vanaf 01-07-2003.
ATEX100a regelt alle voorschriften al naargelang de aard van explosieveilige apparaten.
ATEX137 (voorheen ATEX 118a) is
verantwoordelijk voor de veiligheid van personen
bij de installatie, bedrijf en onderhoud van installaties met explosierisico’s.
Als uiterlijk teken van de conformiteit
is nu ook bij explosieveilige motoren het
CE-teken op het typeplaatje van de motor weergegeven.
Een diepingrijpende wijziging,
gekoppeld aan de invoering van de ATEX100a, is de
integratie van mechanische (niet-elektrische) apparaten in de explosiebeveiliging.
Dez publicatie concentreert zich op de voor reductoren, motoren,
elektrische en elektronische
inrichtingen en sensoren in aanmerking komende apparaatgroepen, categorieën
en
beschermingswijzen tegen ontsteken.
Gas-explosiebeveiliging
Na bepaling van het gevarenrisico
en daarmee de zone, door de bouwer van de installatie respectievelijk de toekomstige
gebruiker, bepaalt de bouwer/gebruiker van de installatie de ontstekingstemperatuur
van het in aanmerking komend gasmengsel.
Vanuit de ontsteektemperatuur
wordt de temperatuurklasse afgeleid. Een verdere kenmerkende grootheid van
het gas-luchtmengsel is de explosiegroep, d.w.z. het vermogen tot doorslag.
De gevaarlijkheid neemt daarbij van explosiegroep IIA toe tot exposiegroep
IIC. Gassen volgens de categorie IIC zijn het gevaarlijkst.
De beschermingswijze tegen
ontsteken “e” (verhoogde veiligheid Eexe) is gebaseerd in het
vermijden van ontstekingsbronnen. Voor de asynchroonmotor houdt dit in dat
er geen bedrijfsmatig te verwachten vonken kunnen ontstaan.
Deze beschermingswijze gaat met weinig extra kosten gepaard en wordt hoofdzakelijk
gebruikt bij kortsluitmotoren tot 50 KW.
Bij alle motoren voor gebruik in overwegend continubedrijf wordt het overblijvende
hoofdrisico – overbelasting en daarmee de verhoogde oppervlaktetemperatuur
– beheerst door bewezen bewakingsvoorzieningen (motorbeveiligingsschakelaars
of temperatuurvoelers PTC of beiden).
De beschermingswijze
tegen ontsteken “e” is in de volgende gevallen niet mogelijk :
- kooiankermotoren voor onderbroken bedrijf, schakelbedrijf, kortstondig bedrijf
en
andere die niet betrouwbaar tegen overbelasting te beveiligen zijn
- Elektrische machines met sleepringen, commutatoren en collectoren (vonkvorming)
- Bedrijf met een frekwentieregeling (anders dan bij netbedrijf aangezien
de spanning
en de frekwentie variabel zijn en het varaiabel toerental vanwege de afwijkende
koelende werking van de ventilator de thermische belasting extra beïnvloed)
Hier zijn de drukvaste
“d” of overdrukbehuizing”p” de typische beschermingswijzen
tegen ontsteken.
Stof-explosiebeveiliging
In tegenstelling tot de explosiebeveiliging
bij een gashoudende omgeving dient er bij
stof rekening mee gehouden te worden dat :
- stof niet vervluchtigd maar zich in een steeds dicker wordende laag afzet
- de stof-explosie heel sterk afhangt van de gebruiksomstandigheden
Een maatgevend constructiecriterium
voor apparaten die in toepassingen met stof-explosiegevaar worden gebruikt
is onder andere het voldoen aan bepaalde IP-klassen
(bescherming tegen het binnendringen van vreemde voorwerpen).
Voor elektrische apparaten van de categorie 3 wordt het aangehouden van minimal
IP54 vereist, voor categorie 2 is minimal IP6X vereist.
Bij de invoering van de
explosieveilige aandrijvingen werden volgens CENELEC
volgende normen vastgelegd, zowel voor elektrische als mechanische apparaten
:
Overzicht beschermingswijze
tegen ontsteken
Motoren |
Niet-elektrische
apparaten / tandwielkasten |
| • EN 50014 Algemene bepalingen | • EN 13463-1 Basismethodes en vereisten |
| Gashoudende
omgevingen (soorten ontstekingsbeveiligingen) • EN 50018 Drukvast omhulsel "d" • EN 50019 Verhoogde veiligheid "e" • EN 50020 Zelfbeveiliging "i" • EN 50021 Vonkvrije ontstekingsbeveiliging "nA" |
Soorten
explosiebeveiligingen in gas? en stofhoudende omgevingen • EN 13463-5 Constructieve veiligheid "c" • EN 13463-8 Vloeistofbescherming "k" |
| Stofhoudende
omgevingen • EN 50281 |
De
normen voor niet-elektrische apparaten gelden vanaf 1.7.2003 |
Zone |
Waarschijnlijkheid van het optreden van een explosieve omgeving | |
Gas |
Srof |
|
0
1) |
20
1) |
Voortdurend, langdurig, vaak, in de tijd overwegend incidenteel |
1 |
21 |
Af en toe, tijdens normaal bedrijf |
2 |
22 |
Zelden, kortstondig |
Aanvullend voor de zone-indeling is de ontstekingstemperatuur van gas- en stofhoudende atmosferen en – extra voor stof – de gloeitemperatuur voor het beoordelen van het risico van belang.
Volgens de EU-richtlijn 94/9/EG (ATEX100a) worden explosieveilige bedrijfsmiddelen als volgt ingedeeld :
Algemeen overzicht :
Groep |
I Mijnbouw, mijngas |
II Overige door gas of stof explosiegevaarlijke gebieden |
||||||
Categorie |
M1 |
M2 |
1 |
2 |
3 |
|||
Ex-omgeving1) |
G |
D |
G |
D |
G |
D |
||
Zone |
0 |
20 |
1 |
21 |
2 |
22 |
||
Beveiligingsklasse elektrisch mechanisch 2) |
d,
e, i, p ... (c, k ...) |
(c,
k ...) |
n(A) (c, k ...) |
(c,
k ...) |
||||
1) G = gashoudende omgeving, D
= stofhoudende omgeving
2) De normalisatie van de beschermingsklassen voor mechanische apparaten is
nog niet afgesloten
De kategorie geeft de
beschermingsklasse aan, door welke maatregelen die bescherming is gegarandeerd
alsmede de gebruiksvoorwaarden.
Overzicht
kategorieën :
Categorie |
Beschermingklasse |
Garantie
van de bescherming |
Gebruikscondities |
M1 |
zeer
hoog |
via
twee onafhankelijke beveiligingen, twee fouten mogen onafhankelijk van
elkaar optreden |
Apparaten
blijven bij zich voordoende explosieve omgeving onveranderd in bedrijf
|
1 |
zeer
hoog |
via
twee onafhankelijke beveiligingen, twee fouten mogen onafhankelijk van
elkaar optreden |
Apparaten
blijven bij zich voordoende explosieve omgeving onveranderd in bedrijf |
M2 |
hoog |
geschikt
voor normaal bedrijf en verzwaarde bedrijfsomstandigheden |
Apparaten
blijven bij zich voordoende explosieve omgeving uitgeschakeld |
2 |
hoog |
door
een beveiligingsmaatregel geschikt voor normaal bedrijf en frequent
te verwachten storingen, een fout mag optreden |
Apparaten
blijven bij zich voordoende explosieve omgeving onveranderd in bedrijf |
3 |
normaal |
geschikt
voor normaal bedrijf |
Apparaten
blijven bij zich voordoende explosieve omgeving onveranderd in bedrijf |
De aanduidingssleutel wordt uitgebreid met de kategorieën, de erkende keuringsinstantie en de Ex-omgeving. Het CE-teken mag vermeld worden.
Aanduidingssleutel
volgens ATEX100a
SEW-motorreduktoren voldoen aan ATEX100a in de categorieën 2G, 2D, 3G en 3D.
Voor de elektrische
aandrijvingen voldoen de SEW-kortsluitmotoren aan groep II
en voor kategorieën 2 en 3.
SEW-EURODRIVE levert bijgevolg
kortsluitmotoren in verhoogde veiligheid en
in stof-explosie omgeving, terwijl voor explosievaste motoren nauw samengewerkt
wordt met betrouwbare partners.
Mogelijke opties bij elektrische/elektronische aandrijvingen :
Voor het gebruik in zone
22 zijn ook de SEW-motoren met geïntegreerde regelaars
MOVIMOT in de categorie 3D aan te bevelen.
SEW-EURODRIVE reduktiekasten voldoen volgens ATEX100a
aan de kategorie 2
voor gas en stof tot temperatuurklasse T4, waarbij aldus ook aan de vereisten
voor
kategorie 3 voor gas en stof wordt voldaan.
(rechte reduktiekasten types R17-167, vlakke opsteekkasten F27-157,
kegelwielreduktiekasten K37-187, Spiroplan-kasten W20-30, wormwielkasten S37-97)
De beschermingswijzen
“c” (construktieve veiligheid) en “k” (vloeistofbescherming)
zijn relevant.
Voor de elektrische aandrijvingen
van SEW-EURODRIVE werd in onderstaande tabel een overzicht gegeven.
Aanwending SEW-apparaten volgens kategorie en zone
Cat. |
Toepassing |
Gebruik
in zone |
Producten |
|
3 |
Rechtstreeks op het net aangesloten motor | 2 Gas | • Motoren met beschermingsklasse ‘n’[II3GEExnA]SEW types: DT/DV../II3G | Uitvoering II3G in voorbereiding voor tandwielkasten en motovariatoren |
| 22 stof | •
Motoren in uitvoering II3DSEW types: DT/DV../II3D |
Uitvoering II3D in voorbereiding voor tandwielkasten en motovariatoren | ||
| Motor in EX-omgeving en regelaar buiten EX-omgeving (schakelkast) | 2 Gas | •
Motoren met beschermingsklasse ‘n’ [II3GEExnA] SEW types: DT/DV../II3G Met SEW regelaars : MOVITRAC® 31C |
Uitvoering II3G in voorbereiding voor tandwielkasten | |
| 22 stof | •
Motoren in uitvoering II3DSEW types: DT/DV../II3D Met SEW regelaars: MOVITRAC® 31C |
Uitvoering II3D in voorbereiding voor tandwielkasten | ||
| Motor met geïntegreerde omvormer in EX-omgeving | 2 Gas | Uitvoering
II3G in onderzoek voor |
Uitvoering II3G in voorbereiding voor tandwielkasten | |
| 22 stof | •
MOVIMOT® motoren in uitvoering II3D SEW types: DT/DV../MM../II3D Met SEW regelaars: MOVIMOT® MM03..MM30 |
Uitvoering II3D in voorbereiding voor tandwielkasten | ||
2 |
Moteur branché directement sur le réseau | 1/2 Gas | •
Motoren in uitvoering ‘verhoogde veiligheid’ [II2GEExe] SEW types: eDT/eDV. • Motoren in explosieveilige uitvoering [II2GEExd] Types : CD/dCD |
Uitvoering II3G in voorbereiding voor tandwielkasten en motovariatoren |
| 21/22 stof | •
Moteurs en exécution II2D Types SEW : eDT/eDV.. |
Uitvoering II3D in voorbereiding voor tandwielkasten en motovariatoren | ||
| Rechtstreeks op het net aangesloten motor | 1/2 Gas | •
Moteurs en exécution antidéflagrante [II2GEExd] Types : CD/dCD avec variateurs SEW : MOVITRAC® MC31C ou MOVIDRIVE® MDF60A |
Uitvoering II2G in voorbereiding voor tandwielkasten | |
| 21/22 stof | Uitvoering II2D in voorbereiding voor tandwielkasten | |||
| Motor in EX-omgeving en regelaar buiten EX-omgeving (schakelkast) | 1/2 Gas | • Motoren in explosieveilige uitvoering [II2GEExd]Types : CD/dCDMet SEW regelaars :MOVITRAC® MC31C ofMOVIDRIVE® MDF60A |
Uitvoering II2G in voorbereiding voor tandwielkasten | |
| 21/22 poussière | Uitvoering II2D in voorbereiding voor tandwielkasten | |||
Beschermingswijze “d” – drukvast :
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||